Verbijsterd, onthutst, en ontgoocheld. Zo liet de premier mij achter, nadat hij, vandaag, 12 mei 2021, gesproken had. Daarbij ging het om twee dingen. Om wat hij wel en om wat hij niet gezien had. Wat zag hij wel? Drie dingen. Hij zag dat horecaondernemers en winkeliers hun best doen alles goed te organiseren en dat de meeste klanten zich goed aan de regels houden. We kregen daar met z’n allen een pluim voor. Het tweede dat de premier zag, was dat ‘dat er gretig gebruik werd gemaakt van de mogelijkheden er op uit te gaan’. Hij besluit die constatering met: “onvermijdelijk wordt het op momenten heel druk, zelfs te druk, vooral in de winkelstraten”. Hoe is het mógelijk, denk ik dan, terwijl hij even daarvoor nog vaststelt dat we het zo goed doen en ons daar zelfs een dikke pluim voor gaf. Maar… dit is Ruttetaal, of zoals ‘de Roodhuiden uit mijn jeugd’ dat noemden: met twee tongen spreken. Want zie: bij punt drie, ziet hij opeens weer een toenemende bezorgdheid bij de mensen voor het virus. Waar dan? In de deinende winkelstraten? In de bomvolle pleinen? In de uitpuilende terrassen, de overvolle parken, de resorts, de vakantieparken, de drukke binnensteden, de kampioensvieringen?

Vervolgens meldt onze Eerste Minister wat mogelijk weer gaat mogen. Als eerste: betaalde seks, dan: dineren op het terras, midgetgolven, sporten binnen en buiten, pretparkerij, en ach, nog veel meer. De hele culturele sector (goed voor 5% van alle werkgelegenheid als je het zo plat wilt bekijken) wordt beperkt tot een openstelling van een marginaal openluchtgebeuren en tot enige “binnenruimtes waar mensen zelf aan kunstbeoefening doen”. Het klinkt meelijwekkend en denigrerend, als ‘met jezelf spelen’, maar dát zijn de kruimels die ons ruimhartig worden toegeworpen. En dat moet verbloemen, hetgeen nu – al voor de zoveelste keer – niet eens bij naam wordt genoemd: gewoon de hardcore kunsten; de musea, de theaters, de bioscopen, de concertzalen, en al die culturele gelegenheden, die totaal niet essentieel worden geacht.

De geestelijke voeding, de geestelijke uitdaging, de prikkeling, de koestering, de ontroering, de schoonheid, de troost, kortom de culturele stimuli van onze geest, zijn in het gehele Coronakabinetsbeleid van geen enkel belang. Het is – in tegenstelling tot bijvoorbeeld de voetballerij, de pretparkerij en bitterballenprikkerij – toch al zo elitair en dient geen enkel praktisch doel. We kunnen gemakkelijk zonder. We kunnen echter niet zonder plat vertier, niet zonder fysieke en kooplustige bevrediging. Nee, want daarop draait de economie. Daarop draait de staat.

Oh Staat, laat mij uw vrijage met de kunsten zien en ik zal zeggen wie gij zijt.
Oh Kloterig Kikkerland, ik hoor slechts uw gekwaak.