Essays

Handleiding tot ‘verlichting’ in De Wereld Draait Door van 18 mei 2017

Matthijs van Nieuwkerk toont het boek ‘Het late licht’ over schilderijen van Jeroen Krabbé

Matthijs van Nieuwkerk toont het boek ‘Het late licht’ over schilderijen van Jeroen Krabbé

Inleiding

Als realistisch schilder poog ik de alledaagse realiteit artistiek te verkennen. Te doorgronden zou te aanmatigend zijn, want al vroeg besefte ik dat zelfs een lang en werkzaam schildersleven daartoe volstrekt ontoereikend zou zijn. De waarneembare werkelijkheid is zó complex, dat zelfs wat iemand in één luttele oogopslag ziet, nooit tot in alle diepten gekend kan worden, laat staan beschreven in woord of in beeld. Je als beeldend kunstenaar richten op die zichtbare werkelijkheid was sinds de eerste grotschilderingen een gerespecteerde leidraad in de kunst. Duizenden jaren lang. Tot er begin 1900 wat interessante tegendraden bijkwamen. Na WO II nam die tegendraadsheid de zaak echter volledig over en werd de vroegere leidraad los geknipt. De kunstwereld verschoot mondiaal van kleur en werd abstract, conceptueel, of nog anders, maar in elk geval niet of nauwelijks nog herkenbaar. Wie kunst maakte die nog herkenbaar was, was eigenlijk niet echt een kunstenaar en maakte derhalve ook geen kunst. Dat waren stumperds die nog in het Stenen Kwastperk van de Schilderkunst waren blijven hangen. Dat waren de ambachtslieden die de sprong naar het Hogere niet konden maken. Wat dat Hogere was? Dat was vooral de kunst om het abstracte zichtbaar te maken. Wie zich daar mee bezighield, ja, díe was pas kunstenaar; die was in verzet, die bevocht de vrijheid, die was de profeet van de verlichting.

Aanleiding

Inmiddels leven we in 2017. De laatste tien jaar is het heel wat rustiger geworden aan het kunstfront en worden allerlei vormen naast elkaar bedreven. Een ‘leven en laten leven’ lijkt thans het vredige adagium. Herkenbare kunstvormen mogen ook weer. Maar hoe zit het met de oude vooroordelen jegens die kunstvorm? Ook voorbij? Nee. Ik kwam daar tot mijn schrik achter gedurende een ongeveer 12 minuten durend item in het populaire programma DWDD. Het ging over de acteur en schilder Jeroen Krabbé met wie presentator Matthijs van Nieuwkerk al vaker één-tweetjes had gewisseld. Het laatste deel ging over Krabbé’s rol als presentator; het eerste deel over zijn eerste abstracte werken en hoe dat zo gekomen was. Krabbé, die tot dan gekend was als een figuratief schilder, had nu eindelijk (zij het laat) het licht gezien. Dat zou blijken uit zijn jongste expositie: ‘Het late licht’.

Handleiding

Beste lezer, dit wordt een wat langer stuk. Want, terwijl ik me al kijkend en luisterend steeds meer verbaasde over dat twee-gesprekje, besefte ik dat van die verbazing bij het kijkerspubliek helemaal geen sprake was. Ondertussen werd echter wel dat oude, naoorlogse vooroordeel volledig uitgeserveerd en als matchpoint achter het studiopubliek neergelegd, die het niet eens in de gaten had. En waarschijnlijk talloze kijkers ook niet. En – zo zult u misschien denken – waarom zou je je er dan ook druk over maken? Want hop, daarna is er een leuk liedje, een Lucky TV, het journaal, een Rail Away; kortom, de wereld draait wel door. Dat is zo. Maar toch. Wie zich inzet voor ‘kunst die wat voorstelt’ moet ook uit deze beker drinken. Via een luchtige analyse van wat ons kijkers werd verteld en getoond, hierbij een klein pleidooi tegen de aanmatigende houding die zo vaak jegens ‘kunst die wat voorstelt’ wordt aangenomen. Het leek me daarbij het beste om het korte gesprek woord voor woord op te tekenen, om u vervolgens uit te nodigen om dat eens nauwlettend mee te lezen. Daarbij geldt dat M. = Matthijs van Nieuwkerk; J. = Jeroen Krabbé; cursieve tekst is tussengevoegd commentaar van Rob Møhlmann. Wat tussen [ ] staat, is een constatering, en teveel ‘ehs’ en haperingen zijn weggelaten.

Woordelijk gesprek aan tafel tussen Matthijs van Nieuwkerk en Jeroen Krabbé

M: Ja, aan tafel zit Jeroen Krabbé. Jeroen, nieuwe expositie [houdt catalogus vast] ‘Het late licht’ en we zien er hier twee doeken van. Eh… voor het eerst – en dat is een mooie reden om je uit te nodigen – schilder je abstract.

J: Ja.

M: En je schildert al je hele leven.

J: Ja.

M: En nu pas dúrf je.

De toon is gezet: iemand schildert al een heel leven herkenbaar (Jeroen Krabbé is inmiddels 72) en nu pas dúrft hij abstract te schilderen. Er is dus móed voor nodig. De vraag die daarmee opwelt is: hoe kon een zelfverzekerd man als Jeroen Krabbé toch zo lang blijven hangen in de figuratie?

J: Ja, het is ontzettend ingewikkeld. Um, dat eerste schilderij wat daar staat, dat linker schilderij, dat is gebaseerd op een moment in Dalfsen – ik heb een huis in het bos – en mijn vrouw riep op een gegeven ogenblik “Je moet even komen kijken, het is heel mooi licht”. Het was in oktober en het had geregend en opeens scheen het licht door het bos heen en…

Gebaseerd op ‘een moment in Dalfsen’. Jeroen Krabbé zegt niet: gebaseerd op een foto. Zoals hij het nu brengt zouden we ons voor kunnen stellen dat – nadat zijn vrouw hem op de mooie plek attent had gemaakt – hij zijn veldezel het bos in gesleept heeft (zoals bijvoorbeeld de beroemde Haagse School Meesters dat een dikke eeuw geleden deden) en dat hij het bosgezicht ‘on the very spot’ in verf zou hebben gepenseeld. Dat zou overigens echt verduveld knap zijn.

M: Dat is deze foto geloof ik hè?

J: Eh… dat is die foto, verdomd, ja. En… en,  daar heb ik heel lang over nagedacht, over die foto, wat ik daar mee moest? En toen ben ik eens wat schilderijen gaan maken en dat was het eerste – wat daar staat- en het is her-ken-baar…

Jeroen Krabbé is verbaasd. Och ja, daar is die foto. Oké, die heeft hij gebruikt, maar hij heeft daar wel lang over nagedacht – in lang nadenken ligt altijd kwaliteit besloten – maar toch, helemaal als je naar een foto werkt, blijft het beeld natuurlijk wel herkenbaar…

M: Ja.

J: En toen ben ik eigenlijk… ik zie het als het leren van een soort taal. Ik durfde die taal nog niet te gaan spreken, van de abstractie. Je moet een grammatica leren, dus ik ben allemaal schilderijen gaan maken die heel langzaam gingen leiden tot dat moment van die twaalf doeken die ik gemaakt heb en toen heb ik de man, die altijd doeken voor mij maakt op mijn atelier gezegd: “Maak er maar eens vier”.  Kijken of… hoever ik kom. En dan staat zo’n doek er en toen heb ik eigenlijk – want al die stappen die er tussen zitten, tussen het linker doek en…

Jeroen Krabbé besluit, kennelijk vanwege de plots wat hinderlijke herkenbaarheid van het beeld, naar de hem vreemde abstractie toe te werken. Hij doet dit middels “allemaal schilderijen”. Dat zijn er dus heel veel; hij gaat niet over één nacht ijs, nee het atelier ligt vol studies, vol probeersels op weg naar de openbaring van de taal der abstractie. Het lijkt een initiatie, een inwijding. Hij is bescheiden in zijn poging, weet niet of het gaat lukken, hoopt op 4 doeken, maar zie: het werden er 12. Een heilig getal, 12 maanden in het jaar… hier hangt meer in de lucht.

M: Dat  heet:  ‘Het late licht’ [wijst naar het herkenbare schilderij].

J: Het late licht, want het wás het late licht, in oktober… en alle stappen die daar tussen zitten, zie je hier nu niet, maar dát is uiteindelijk précies hetzelfde wat ik daar geschilderd heb, alleen is dat iets wat in mijn fantasie, eh, eh… anders is geworden. Maar het is een abstract schilderij en het is hartstikke ingewikkeld moet ik zeggen…

Jeroen Krabbé laat het woord oktober vallen, een eerste verwijzing naar een jaarcyclus. En dan zegt hij: “alle stappen die daar tussen zitten, zie je hier nu niet”. Een verwijzing naar het bekende sprookje van een Chinese kunstenaar die een opdracht krijgt van de keizer om een haan te tekenen. De kunstenaar komt pas na een jaar, zet in één keer een geniale haan neer en vraagt een godsvermogen. De keizer is tevreden, maar vind het wel erg veel geld voor zo weinig werk. Dan nodigt de kunstenaar hem thuis uit en daar ziet de keizer de ontelbare studies van telkens die haan. Het zijn “alle stappen die er tussen zitten…”. Er ontstaat nu ook verwarring onder ons, kijkers en luisteraars: er staan in de studio immers twee volkomen verschillende schilderijen, die volgens Jeroen Krabbé uiteindelijk précies hetzelfde zijn. Wat ontgaat ons, wat de meester kennelijk is geopenbaard? Krabbé zei het al: het is wel hartstikke ingewikkeld.

M: Het is Dalfsen. Dalfsen en de omgeving van Dalfsen is zo’n beetje jouw muze, hè?

J: Ja. Zeker.

M: Veel geschilderd.

J: Ja.

M: Dit is dus wat jou betreft ook gewoon Dalfsen [doelt nu op het abstracte werk].

J: [knikt] Is het ook. Ja!

Het buitengewone, abstracte doek is dus ‘gewoon Dalfsen’. Zonder het herkenbare doek ernaast, zou men kunnen zeggen: “Je kunt me nog meer vertellen”, maar door deze volgorde te hanteren kunnen we nog wel even meegaan. Wat tevens opvalt is dat het klassieke schilderij veel kleiner is en een lijst heeft; het abstracte werk is groots en zonder de beknelling van zoiets ouderwets als een lijst.

M: [leest van papier op] Het doek heet: ‘Opkomende zon’.

J: Ja. Nou ja, je moet het een titel geven natuurlijk.

Natuurlijk? Dit klinkt bijna als een excuus. Ook wel invoelbaar, want alle titels zijn goed bij non-figuratieve werken. Of juist geen enkele. Vandaar dat er in de kunstgeschiedenis vanaf de jaren vijftig honderdduizenden kunstwerken bewust titelloos zijn gebleven, of de titel ‘zonder titel’, dan wel ‘z.t.’ dragen. Dát gaat Jeroen Krabbé duidelijk een stap te ver.

M: Nee, natuurlijk! Nee… goed… je kan proberen… het ook een beetje erin te zien… en als je je best doet… met een klein beetje fantasie, dan zie je het ook wel… toch?

J: Ja, nou ja ik had… 

M: … of zeg ik het nou… 

J: … nee, nee, nee. Je hebt gelijk, maar ik had ook al die doeken gemaakt en die moesten toch… die moesten een titel hebben.

Matthijs van Nieuwkerk wil kennelijk ook niet aan het compleet voorstellingsloze. Hij wil ín de abstractie wel het waarneembare blijven zien en denkt dat het ‘met een beetje fantasie’ best een opkomende zon kan zijn. Al met al, een hoop vergoelijking voor het tóch geven van een titel. Een titel dus, die, in weerwil van wat de abstractie ons toont, refereert aan iets wat duidelijk iets voorstelt: een opkomende zon. Voor meer opkomende zon in de kunst: zie de werken van William Turner van bijna twee eeuwen geleden. Daar doet Turner ons dat verschijnsel op geniale wijze, óf in dikke klodders olieverf, óf in subtiele ‘washes’ waterverf, talloze malen uit de doeken.

M: [bevestigend] Hm…

J: En bij het geven van een titel, dacht ik, ja dan ga ik eigenlijk terug naar andere schilderijen, want dit heet dan ‘de weg daarnaar toe’ of ‘het huisje daar’ of wat dan ook. Dus ik heb heel lang gewacht om ze titels te geven. En uiteindelijk dacht ik: nou ja, het lijkt op een opkomende zon, laat ik dat maar doen. En dat lijkt op ‘januari’ en dat lijkt op… weet ik veel… op ‘de zomer’ en… Dus de titels zeggen niet zoveel, maar ze geven…

Merkwaardige redenering. Dit eist even wat meer aandacht. Jeroen Krabbé noemt eerst, enigszins kleinerend (met verkleinwoorden als ‘huisje’), titels zoals die bij de herkenbare wereld zouden kunnen horen. Dat wil hij niet. Dus opnieuw wacht hij heel lang om ze titels te geven. Dat suggereert als uitkomst een weloverwogen resultaat. Toch redeneert hij uiteindelijk: het lijkt op een opkomende zon, dus noem ik het maar zo. Waarom zoekt iemand die de werkelijkheid helemaal wil loslaten, een analogie uit diezelfde werkelijkheid? Titels zeggen niet zoveel, zegt Jeroen Krabbé. Waarom geeft hij ze dan? En waarom heeft hij er dan ook nog eens ‘dus wel heel lang mee gewacht’?

J: Enig houvast…

Houvast? Het eerste schilderij heet ‘Het late licht’. Dat schilderij is volgens Jeroen Krabbé ‘uiteindelijk précies hetzelfde’ als het andere, abstracte schilderij. Waarom heet dat dan ‘Opkomende zon’? Dat is uiteindelijk precies het tegenovergestelde…

Jamie Trenité (tafelheer): Die weg naar het abstracte. Ik vind de abstracte kunst best moeilijk. Ik denk velen van ons, want om het meteen te begrijpen en te zien? Eh, kan je ons ook… zeg maar… begeleiden naar de abstractere weg? Stapje voor stapje, dat we meegaan in jouw fantasie, steeds verder er naar toe?

Een vraag geboren uit een bescheiden opstelling. Jamie Trenité vindt abstracte kunst moeilijk, zeker om het meteen te begrijpen en te zien. Precies daar begint het al: de opvatting dat je kunst meteen moet zien (herkennen) en begrijpen. Daarmee is realistische of figuratieve kunst kennelijk makkelijk (want meteen te zien) en abstracte kunst dus sowieso moeilijk. Voor die laatste vorm van kunst moet de kunstenaar dus wel over grotere gaven beschikken, waarmee hij voor de gewone sterveling nauwelijks te begrijpen is. De vraag naar de stapjes die ontbreken is dus heel zinnig.

J: Ja. Nou ja… dat doek is eh… dat linker [herkenbare] doek is eh… was voor mij al een enorme stap, want ik dacht… ah, ik doe maar wat.. we zien wel wat er van komt, en dan is het op een gegeven moment: ja, oké, dat is klaar, we zien direct wel verder. En dan ga ik een volgend doek maken en ik ben steeds eh… verder weg gegaan van wat ik eigenlijk zou willen. Ik heb me zelfs tegen gehouden! Ik dacht: het móet niet lijken, en het móet niet dit, en: d’r staat daar nog een boom; wèg met die boom; het moet iets ánders worden. En heel langzaam leer je dan – wat ik zei – die taal, die kan je op een gegeven moment spreken en denk je: oké, ogen dicht en het doen! Nou ogen open in dit geval, maar dan… ik ben gewoon begonnen. Ik heb ze ook vaak op hun kop gezet, terwijl ik ze aan het schilderen was…

Jeroen Krabbé begint weer vanuit bescheidenheid: het herkenbare doek maken wás op zich al een enorme stap. Opmerkelijk, want zo schilderde hij al. Maar goed, dat doek is op een gegeven moment gewoon klaar. Er moet toch meer zijn dan dat? Wat nou als het niet lijkt? Nou, daartoe moest Krabbé zichzelf echt geweld aan doen. Hiermee wordt de klassieke worsteling van de kunstenaar naar voren gebracht. Helemaal onnavolgbaar is zijn aanpak vervolgens ook weer niet, want hij begint gewoon alles wat herkenbaar is, weg te halen. Boom? Hopla, weg. Enzovoort. En dan maakt hij nog tussen neus en lippen de opmerking dat hij de schilderijen vaak op zijn kop zet… Voor de leek komt het over alsof hij nu werkelijk alle dimensies de baas is. Maar dat omkeren komt gewoon uit de ouderwetse schilderkunst, waarbij kunstenaars soms hun doek even op de kop neerzetten om in te voelen of alles qua compositie en toonwaarden in het gezochte evenwicht is. In feite maakt de kunstenaar zich dan even los van het werkelijkheid-gerelateerde beeld en kijkt hij zo de abstracte waarden na, die elk realistisch of figuratief werkstuk nu eenmaal heeft…

M: … maar doe je het om je eigen kúnde te testen, of doe je het omdat je het uiteindelijk een mooier schilderij vindt? Ben je zover, in je ontwikkeling, als kunstenaar, dat je denkt: ja maar…

J: Ja…

M: … ik heb dat figuratieve… ik heb dat heb ik nu wel gezien?

Ben je zóver in je ontwikkeling. De ontwikkeling, als een zich ontrollende lijn. Velen komen niet verder dan een beginnetje, anderen een heel eind, maar sommigen zelfs zo vér dat… ja… de figuratie niet meer hoeft. Dat is een gepasseerd station. Het geziene is nu wel eens een keertje gezien. Klaar.

J: Ja! Dat is een goeie vraag. Dat is ook een beetje zo. Het was omdat Ralph Keuning, de directeur van de Fundatie, bij een vorige tentoonstelling… daar hield hij een praatje bij… hij [Jeroen Krabbé] heeft dit gedaan en dat… en wat zo leuk is – zei hij in een soort tussenzin – dat de achtergrond in de schilderijen: dat zíjn abstracte schilderijen. En dat… het idiote is… dat zinnetje heeft zich in mijn kop vast gezet en toen dacht ik: ik heb dus al abstract geschilderd! Behalve dat het een andersoortig doek is geworden.

M. Hm [begrijpend]

 Jeroen Krabbé breng alvast zijn expositie onder de aandacht, maar koppelt dat ook aan een eye-opener: hij had al eerder abstract gewerkt! In de achtergrond van zijn eigen schilderijen! Kennelijk liep hij toen al onbewust vooruit op de abstractie, die zich later volledig aan hem zou openbaren. In dit kader is het misschien goed om te weten dat élke schilder, zelfs de meest realistisch werkende, altijd al abstract bezig is. Hij geeft namelijk in lijn, of kleur een vertaling van het geziene en dat is al ongelooflijk abstract vergeleken met de werkelijkheid, die model staat.

J: En dat zinnetje, dacht ik: oké, abstracte schilderijen, laat ik het eens gaan proberen, laat ik het eens gaan doen. En dan kom ik op een terrein terecht waarin ik veel vrijer ben. Ik ben… doodsbang was ik.

Na dat dappere besluit en een lange weg is daar dan: de catharsis, het inzicht, de vrijheid. Maar… doodsbang was hij wel. We huiveren mee en we zijn hem kwijt. Eerst was hij nog hier, gewoon bij ons, en nu opeens zit hij daar, onnavolgbaar op de Parnassus.

M: Free at last?

Dat zijn eigenlijk de woorden van Dr. Martin Luther King, dromend over gelijkheid, maar Matthijs van Nieuwkerk doelt hier op de ketens van het slaafs moeten werken naar de zichtbare werkelijkheid. Hij vraagt Jeroen Krabbé of hij daar nu eindelijk van bevrijd is?

J: Ja, en ik heb het licht gezien. Het late licht… het is laat.

Jeroen Krabbé geeft het toe: ja, eenmaal bevrijd, heeft hij het licht gezien. Het licht dat voor velen altijd verborgen zal blijven, maar dat hij – laat weliswaar, maar niet té laat – zich eigen wist te maken.

M: Maar dan is het ook bijna… dan is het sneu dat het zo laat gebeurt… of niet?

J: Ja… omdat ik er binnenkort niet meer ben, of zo…?

M: Nee, dat zeg ik niet, nee [studiopubliek lacht]. Je schildert verdomd al je hele leven, je zou ook kunnen zeggen…

J: Ja, ja, maar ik heb nooit een behoefte…

M: … als het zo’n opluchting is, dan had ik je die eerder gegund!

Even dreigt er nu tussen de beide heren een misverstand. Bijna zet Matthijs van Nieuwkerk hier Jeroen Krabbé ongewild neer als een sneu figuur, een kneus, die nu pas het licht ziet, terwijl hij toch al zijn hele leven schildert.

J: Ja maar ik heb die behoefte niet gehad. Ik heb het wel gedaan, maar ik vond het zo’n flauwekul, omdat ik dacht: eerst moet ik leren schilderen, eerst moet ik figuren leren tekenen. Je leert het stap voor stap. Ik ben niet iemand die dat opeens maar kan. En nu… heb ik dat gemaakt. Ik vond het ontzettend moeilijk om het mensen te laten zien, want ik dacht ja, dan zou ik zeggen: “Wat heb je nou gedaan, zeg? Wat een flauwekul”. En nou hangen ze met zijn allen, met zijn twaalven, hangen ze in één zaal… en toen was ik eigenlijk verbijsterd, toen dacht ik: nou dat klopt dus, het klopt wat ik gewild heb.

Jeroen Krabbé herpakt zich snel. Hij laat zien dat hij een nuchtere kerel is: eerst goed leren schilderen en pas vandaar uit naar de abstractie. Dat is de weg, alleen zo kan het – anders zou immers iedereen het kunnen? Dat is niet wenselijk want dan devalueert de eigen prestatie. Maar toen Jeroen Krabbé na zijn inwijding zag wát hij met die 12 abstracte werken voor elkaar had gekregen (en dat zag hij vreemd genoeg pas toen hij ze veel later bij elkaar op zaal zag hangen) was hij ronduit ‘verbijsterd’. Het klopte met wat hij gewild had. Helaas zegt hij niet wát hij dan gewild had. Ik ben geen journalist, maar anders zou ik zeker naar dat ‘wat’ vragen, want daar was het toch allemaal om te doen? Een ‘wat’ dat zelfs leidt tot zelfverbijstering is toch ook niet niks.

M: John Coltrane, de saxofonist, die speelde heel lang traditionele jazz, met Miles Davis onder andere… en die werd steeds experimenteler… steeds vrijer, hij voelde zich steeds fijner…

Opnieuw wordt alvast een kader neergezet. Nu van de eenzame weg die het onbegrepen genie moet gaan: John Coltrane, heel lang traditionele jazz, werd experimenteler, steeds vrijer, voelde zich steeds fijner… Hier wordt ‘traditioneel’ geraffineerd uitgespeeld tegen ‘experimenteel’, want alleen in dat laatste geval ga je je vrijer en fijner voelen.

J: Ja…

M: … en op laatst begrepen steeds minder mensen zijn muziek… doodgelukkig was-ie!

De climax: het genie! Onbegrepen, maar doodgelukkig. Dood was Coltrane in elk geval veel te vroeg; hij werd slechts 40.

J: Ja, dat komt ook… Ja! Dat heeft bij mij..

M: Klopt hè Hennie? Of niet? Ja.

Jeroen Krabbé wilde na deze voorzet graag aanschuiven bij Coltrane, maar Matthijs van Nieuwkerk gaat hier dwars doorheen en wil zijn bewering staven door het publiekelijk te verifiëren bij Hennie Vrienten in de zaal.

J: Het heeft bij mij… het heeft bij mij ook zo’n effect. Um, … het vréselijke is, dat als ik aan het schilderen ben, ik commentaar hoor. Van mijzelf. Maar ik hóór commentaar. Dat heeft óók te maken met mijn andere vak, want als ik een rol begin te spelen, dan is er een regisseur die tegen me zegt: “Ja, je moet dat niet doen, je moet dat niet doen”; collega’s zeggen dingen, dus er komt altijd commentaar op je af, terwijl je bezig bent met hele kwetsbare momenten… Het idiote is: dat heeft zich ook vast gezet bij mij als ik schilder, dan sta ik te werken en dan hoor ik iemand zeggen – ikzelf dus -“Jezus zeg, wat een flauwekul, wat doe je nou?” En… écht commentaar! En dat houdt me soms tegen. Dáár ben ik doorheen gegaan en ik zweer het je [zacht de vuist op tafel]: dát is een vrijheid die ik niet had verwacht.

Nu komt vooral de acteur in Jeroen Krabbé los, de acteur die als schilder zijn eigen regisseur mag zijn. Free at last… free at last. De murmelende schilder: hij ís niet gek, neen, hij is in gevecht met zichzelf. ‘Hou me tegen!’ roept hij zichzelf voortdurend toe. Maar de krachten die hij ontketend heeft zijn vele malen groter. De geest (en dat is heel wat Hogers dan het stof van de waarneembare werkelijkheid) is uit de fles, het Hogere roept. Er is geen keuze meer, geen weg terug, je moet… je moet er doorheen. Naar de vrijheid met de inmiddels heilig verklaarde John Coltrane. De weg was zwaar, maar de purificatie evenredig licht.
Je gaat er van stralen… als laat licht.

N.B. Het is misschien goed om erop te wijzen dat bovenstaande stukje vooral werd ingegeven om de altijd maar weer opduikende drogredenen en arrogantie bloot te leggen inzake de veronderstelde superioriteit van abstracte kunstuitingen boven die van figuratieve. Het commentaar wil niet iets zeggen over de kwaliteit van de schilderijen van Jeroen Krabbé. 

Museum Møhlmann

Museum Møhlmann



Pin It on Pinterest